
St. Dizier les Domaines, 19 oktober 2011
Voor ’t eerst sinds de kerst van 2006 ben ik samen met Cynthia in St. Dizier les Domaines. Het petiterige Creusiaanse dorpje dat mijn schoonfamilie al sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw hun tweede thuis noemt. Hun eeuwenoude Franse huisje midden in de dunst bevolkte regio van Frankrijk is zo rustiek gelegen dat een knorrende maag genoeg is om het hele dorp de stuipen op het lijf te jagen.
En hier in deze serene oase zou ik het –als ik mijn schoonmoeder Clara mocht geloven- gaan meemaken. Het leven zoals de Fransen. Een zorgeloos bestaan. Alles op zijn tijd. Benen omhoog en een wijntje op schoot. Dit alles klinkt mij natuurlijk als muziek in de oren. “Ik ben hier goed in”, dacht ik nog. “Laat maar komen dat Autre Vietje!”.
Nu een dag of wat later weet ik wel beter. De enige muziek die ik heb gehoord in la Creuse is de om een polonaise-smekende kroegknaller “’s Nachts na tweeën”, een symfonie van klaterende Rummikub–steentjes en de monotone melodie van het hamer & beitelorkest de Malle Klussers.
De eerste dagen lijkt het Franse leven verder weg dan ooit. De benen gaan wel omhoog, maar niet om te rusten op een tafel…nee, die benen moeten een ladder op. En het wijntje op schoot is er ook, maar alleen omdat de handen volgestouwd zijn met gereedschap. In dit Franse leven wordt er gewerkt. En hard ook.
Op dag drie ben ik moedig genoeg om te beginnen aan één van de drie boeken die ik van thuis heb meegenomen. De eerste pagina’s is er geen doorkomen aan, maar langzamerhand begin ik de hoofdpersoon te begrijpen.
Het boek gaat over Jacob de Zoet; een scheepsklerk die in de tijd dat mannen nog haar op hun tanden hadden en eelt op hun voorhoofd, met de VOC naar ’t verre Nagasaki vertrekt om zijn schoonfamilie te bewijzen hoeveel hij van zijn Anna houdt.
Dag 4 in la Creuse begint veelbelovend; kalm, zonnig en met warme broden van de plaatselijke -en als enige niet-overleden- bakker. Maar deze dag, die zo sereen begint, ontaardt naarmate zij vordert in een uit de klauw gelopen uitzending van Eigen Huis en Tuin. Jawel, er wordt weer geklust. En bijna iedereen doet vrolijk mee.
Bijna iedereen. Jasper niet; het jongere broertje van Cynthia moet namelijk een virtuele prinses redden van een dood waarbij de rode pixels je om de oren vliegen. Miranda, Cynts zus, doet trouwens ook niet mee; met klussen doe je haar buitengewoon weinig plezier, zo laat zij de klussers weten. En ik begrijp dit natuurlijk volledig…
Wat mij wel opvalt is dat zij -ondanks dat zij zich afzijdig houdt van het klussen- toch een duidelijke taak heeft gevonden. Iedere tien minuten trillen alle planken in het huis op de roestige spijkers als zij informeert naar de dorst van iedereen. “IEMAND DRINKEN!!!!?” echoot het dan door la Creuse. Het is dat die Fransen zo verliefd zijn op hun eigen taal, anders had hier zeker 3000 man voor de deur gestaan om hun lege glas vin bij te laten vullen.
Slim ook, zo’n taak. En stom dat ik daar niet eerder aan dacht. Nu de prinses door virtuele Jasper wordt gered en Miranda iedereen van drank voorziet, ben ik dus de enige echt doelloze in dit gezelschap.
Want voor hen die nog twijfelden; ik doe ook niet mee aan al het klusgeweld. En niet alleen omdat er in deze jongen geen -o zo handige en o zo handtastelijke- Nico schuilt. Maar vooral omdat klussen voor mij net zo rustgevend is als luisteren naar door Marianne Weber ingezongen technomuziek op een hysterische baby shower van volkomen vreemden.
En dus loop ik rondjes. Ongemakkelijke rondjes op mijn tenen om hen die werken. Rondjes richting mijn boek.
Ik waag me weer aan een pagina. Jacob, net aangekomen in Nagasaki zit in een keuken tussen zeelui die al jaren eensgezind te werk gaan. Hij voelt zich opgelaten, bekeken, een vreemde eend in de bijt.
Clara tikt me op mijn schouder. O schijt…werk aan de winkel. Ze doet voor hoe je bruin-grijze derrie in de voegen moet smeren om zo van de muur een vlak geheel van te maken. Ik zie het nut er niet van in; maar goed, ik waag een poging.
Een half uur zwoegen, vier voegen en verkrampte handen later, draait Cynt zich om. Ze kijkt me aan en spreekt de verlossende woorden, “Lieverd, je hebt het heel goed gedaan, maar je mag nu stoppen.” Ik doe nog net geen vreugdedansje.
Onderweg naar mijn boek hoor ik hoe Miranda zichzelf ongevraagd probeert te verdedigen tegen de klussers. “Het is niet dat ik lui ben ofzo; ik word er gewoon niet gelukkig van.” Ik ben het roerend met haar eens, maar wil het, ondanks dat het voor iedereen allang duidelijk is, niet hardop beamen. Peter, mijn schoonvader, knikt vol begrip. “Dit is mijn ding”, zegt hij “ik leef hier helemaal van op. Maar ach, zo heeft ieder zijn eigen ding…”
Hij heeft natuurlijk groot gelijk, maar gaat zich nu op glad ijs begeven. IJs waar ik weleens doorheen zou kunnen zakken… “Zo heeft Ron…”, gaat Peter twijfelend verder. “Zo heeft Ron straks...” “Ja wat heeft Ron eigenlijk”, denk ik nog net niet hardop. “Zo heb ik straks mooie foto’s van Ron”, zegt Peter. Iedereen knikt. “Ja foto’s…”, hoor ik mezelf denken “daar schiet het huisje vast iets mee op”.
Dan verschijnt Clara met een verwildert hoofd, en temidden van een enorme stofwolk, in de deuropening. “Jij houdt toch van natuursteen Peet?”, vraagt ze quasi tussen neus en lippen door. Peet kijkt Clara aan alsof ze hem vraagt of ‘ie liever rijst of draadjesvlees tussen zijn tanden heeft. Maar ik weet genoeg; ze is met een moker en een beitel aan de huiskamermuur begonnen en is niet meer te stoppen. Ze heeft deze lieflijke Eigen Huis en Tuin uitzending eigenhandig omgetoverd in een extra lange, extra uitbundige marathon-jubileumuitzending van Extreme Home Makeover. En Clara speelt zelf de rol van de vrolijke ADHD-presentator Ty. “Dit gaat fout…”, mompel ik binnensmonds en onverstaanbaar voor iedereen en ik betrap mezelf op de gedachte om Jacques –onze Peugeot 107- als vluchtauto te gebruiken.
In een poging mijzelf te overtuigen dat het allemaal wel meevalt, besluit ik om voorzichtig de huiskamermuur te inspecteren om te zien wat de schade is. In één woord: onherstelbaar. “Wat ik er van vindt?”, wil Clara weten. Oh nee, vraag dat nou niet. Het juiste antwoord op deze vraag wordt vaak pas gevonden in het Joegoslavië Tribunaal.
Ik vind het stiekem bijzonder mooi. In gedachten zie ik onder de half- en woest weggehakte stuclaag een natuurstenen muur, met daaronder een goed ingelopen eikenhouten vloer en daarop een sneeuwwitte eettafel met al even witte stoelen die worden verlicht van duizend kanten. Maar nee, in plaats daarvan stamel ik: ”hmm ik eh…het lijkt me veel werk”. Mooi, goed Ron, daar heeft dus niemand wat aan.
Het laatste hoofdstuk; een wanhoopsdaad van Jacob in Nagasaki. In een uiterste poging indruk te maken op zijn nieuwe kameraden, neemt hij brutaal het roer in handen van een kapitaal VOC-schip. Het is een kapitale vergissing. Nog voor ze goed en wel de baai uit zijn, lopen ze op de klippen. Het schip en haar onbetaalbare lading gaat verloren. Het is het einde van de VOC. En het einde van Jacob met zijn goede bedoelingen.
Peter neemt even pauze en zit op zijn praatstoel als mijn zwager Dieter naar buiten komt om zijn eerste zonnestralen van de dag op te vangen. Peter blijft maar herhalen dat ieder zijn ding heeft. Dieter, die ook zijn kleren van een dikke stuclaag heeft voorzien, knikt instemmend en schommelt zijn wijntje tot een draaikolk voordat het stolt door al het neerdalende cementpoeder. Dit is ook zijn ding. Klussen.
Het begint me te dagen. Het betoog van Peter zet me aan het denken. Ik moet geen ongemakkelijke rondjes lopen of voegen voegen met bruin-grijze derrie. Ik moet ook gewoon even mijn ding doen. Dus sluip ik naar boven, schuif een comfortabele stoel in een donkere hoek, gooi mijn benen omhoog, zet een glas wijn op schoot…en daarachter mijn laptop. Zo, ik ga eens even iets schrijven. Over ons. Hier, in Frankrijk. Ja, schrijven…dat is mijn L’Autre Vie.
St. Dizier les Domaines, 19 oktober 2011
Hier de mooie foto's.